AVI niveaus

De 9 AVI leesniveaus hebben als doel de leesstof af te stemmen op de leesvaardigheid van de leerlingen.  Dat betekent dat het leesniveau van de kinderen en de moeilijkheidsgraad van de teksten op elkaar afgestemd moeten zijn. De verschillen in niveaus zijn terug te voeren op de woord- en zinskenmerken van een tekst en de leesindex.

De negen AVI-niveaus worden enerzijds gebruikt om leesboeken en teksten in te delen naar moeilijkheidsgraad. Anderzijds worden ook de leesprestaties van de kinderen ingedeeld naar deze negen niveaus. Daarvoor zijn de AVI-toetskaarten ontwikkeld.

Wat zijn de AVI niveaus?

De negen AVI-niveaus, en dus ook de leesteksten op de bijbehorende toetskaarten, onderscheiden zich van elkaar op woord-, zins- en tekstkenmerken en de leesindex A van Brouwer. Deze index is gebaseerd op een formule waarin de woordlengte (gemiddeld aantal lettergrepen per woord) en de zinslengte (gemiddeld aantal woorden per zin) van de tekst zijn opgenomen.

Hierna volgt een omschrijving voor ieder AVI-niveau, met daarbij INDICATIEF (!!) het moment waarop een bepaald niveau in het taalonderwijs (de leesboekjes, taalwerkboeken, ...) wordt bereikt.

AVI-NIVEAU 1 (maart van het eerste leerjaar)

  • Tekstkenmerken:
    • Korte zinnen, één zin per regel.
    • Samengestelde zinnen over twee regels verdeeld, komen voor (voor leesindex geteld als twee zinnen).
    • Hoofdletters kunnen voorkomen)
    • Leesindex A: > 100.
  • Woordtypes:
    • Eenlettergrepige woorden: zoals zo, va; zoals ik, om; zoals naam, roos.
    • Eenlettergrepige woorden met één medeklinkercombinatie kunnen voorkomen.
  • AVI-NIVEAU 2 (juni van het eerste leerjaar)
  • Tekstkenmerken:
    • Hoofdletters kunnen voorkomen.
    • Korte zinnen, één zin per regel.
    • Samengestelde zinnen worden nog per zin over twee regels verdeeld (voor de leesindex geteld als twee zinnen).
    • Leesindex A: > 100.
  • Woordtypes (uitbreiding):
    • Eenlettergrepige woorden: eindigend op dt, ng of nk, twee medeklinkers vooraan en/of achteraan, drie medeklinkers vooraan of achteraan het woord.
    • Tweelettergrepige of samengestelde woorden zonder spellingmoeilijkheden.
    • Verkleinwoorden.

AVI-NIVEAU 3 (november tweede leerjaar)

  • Tekstkenmerken:
    • Korte zinnen kunnen betekenisvol zijn afgebroken en doorlopen op de volgende regel. De nieuwe zin begint nog wel op een nieuwe regel.
    • Leesindex A: > 100.
  • Woordtypes (uitbreiding):
    • Alle typen eenlettergrepige woorden.
    • Alle typen tweelettergrepige woorden.
    • Drie- en meerlettergrepige woorden zonder spellingmoeilijkheden.

AVI-NIVEAU 4 (maart tweede leerjaar)

  • Tekstkenmerken:
    • Zinnen kunnen, betekenisvol afgebroken, doorlopen op de volgende regel.
    • En gesproken zin begint nog steeds op een nieuwe regel.
    • Leesindex A: > 100.
  • Woordtypes (uitbreiding):
    • Alle typen drie- en meerlettergrepige woorden.
    • Leenwoorden zonder lastige, afwijkende teken-klankcombinaties: portemonnee, diskette.

AVI-NIVEAU 5 (juni tweede leerjaar)

  • Tekstkenmerken:
    • Leesindex A: 99-94.
    • Zinslengte: 6-8 woorden.
    • Woordlengte: 123-130 lettergrepen.

AVI-NIVEAU 6 (november derde leerjaar)

  • Tekstkenmerken:
    • Leesindex A: 93-89.
    • Zinslengte: 7-9 woorden.
    • Woordlengte: 129-135 lettergrepen.

AVI-NIVEAU 7 (maart derde leerjaar)

  • Tekstkenmerken:
    • Leesindex A: 88-84.
    • Zinslengte: 8-10 woorden.
    • Woordlengte: 134-139 lettergrepen.

AVI-NIVEAU 8 (juni derde leerjaar)

  • Tekstkenmerken:
    • Leesindex A: 83-79.
    • Zinslengte: 9-11 woorden.
    • Woordlengte: 138-144 lettergrepen.

AVI-NIVEAU 9 (november vierde leerjaar)

  • Tekstkenmerken:
    • Leesindex A: 78-74.
    • Zinslengte: 10-12 woorden.
    • Woordlengte: 143-148 lettergrepen.

Wat is een AVI toets?

Bij de AVI-toetsen wordt de leestechniek getoetst. Twee normen zijn daarin belangrijk: aantal fouten en snelheid.  Zo wordt het technisch leesniveau van kinderen vast gesteld om zo een leesstof te kunnen kiezen die aansluit bij hun leesontwikkeling.

Toetsen gebeurt met AVI-toetskaarten.  Er zijn negen kaarten, één voor elk niveau. Van de AVI-toets is een A- en een B-versie beschikbaar. Elke kaart bevat een tekst die een afgerond verhaal vormt. Deze tekst voldoet aan alle kenmerken van het betreffende AVI-niveau.

De bevindingen bij het lezen in de klas zijn uiteraard ook van tel om te weten of je kind op peil is, dan wel achetrloopt of voorloopt.

Wat is een leesindex?

Leesindex A = 195 - (2/3)x100WL - 2xZL

waarbij WL = 100 x aantal lettergrepen en ZL = aantal lettergrepen / aantal zinnen

Hoe hoger het gemiddelde aantal lettergrepen per woord is en/of hoe hoger het gemiddelde aantal woorden per zin, des te moeilijker is de tekst. De formule is zodanig geconstrueerd dat een lagere waarde van de index wijst op een moeilijkere tekst.

Hoe gaat het AVI-lezen in de praktijk?

Een goede beheersing van het technisch lezen wordt door veel scholen gezien als basisvoorwaarde voor alle andere vakken. Immers, als het leestempo van de kinderen laag is, kost het lezen zoveel tijd dat er nauwelijks tijd overblijft voor het maken van de opdrachten en oefeningen. Daarom steken scholen veel energie in het technisch lezen in klas 1 tot en met 3. De aandacht voor het technisch lezen in niveaugroepen is heel begrijpelijk, maar mag niet ten koste gaan van de klassikale instructie en de individuele leesontwikkeling van de kinderen.

De AVI-niveau-indeling is op de eerste plaats niet bedoeld om de kinderen onderling te vergelijken qua leesprestatie, maar om leesstof te kunnen kiezen die aansluit bij hun individuele leesontwikkeling. Een kind dient leesstof aangeboden te krijgen die niet te makkelijk en niet te moeilijk is. In welke situatie die leesstof verwerkt wordt, is daarbij van minder belang. Dat kan zowel klassikaal als individueel, in tweetallen of in groepen.

Optimale instructie tijdens het niveaulezen veronderstelt de aanwezigheid van een ervaren leerkracht. Bij het inschakelen van leerhulpen en leerlingen als groepsleider kan dit aspect in het gedrang komen. Een goede coaching is dan noodzakelijk.

Groepjes die gerichte instructie krijgen van leeshulpen lezen boekjes van een niveau hoger dan ze behaald hebben. Dat niveau noemen we het oefenniveau. Doorgaans laten we de kinderen steeds lezen op dit niveau, al moeten we dit eerder zien als een richtpunt. Afhangend van andere factoren, zoals interesse, kan een niveau lager of zelfs hoger ook nog wel.

Het effect van het lezen in niveaugroepen is vooral afhankelijk van de wijze waarop wordt omgegaan met de leesfouten. De terugkoppeling die de kinderen krijgen is bepalend. Het technisch lezen kan ook heel goed geoefend worden door individueel of in tweetallen te lezen. Daarbij is de terugkoppeling over de gemaakte leesfouten vaak wat minder. Tevens is het belangrijk dat de leerlingen twee tot drie keer per jaar getoetst worden met behulp van de AVI-toetskaarten.

Soms is er geen goede aansluiting tussen het leesniveau zoals vastgesteld en het feitelijk lezen in de klas op dat niveau. Waaraan kan dat liggen?

Wanneer een leerling bij het niveaulezen meer moeite met de boekjes heeft dan op grond van het toetsresultaat verwacht mag worden, kan dit aan verschillende factoren liggen.

Zo kan dit te maken hebben met de betrouwbaarheid en de validiteit van de AVI-toets. Het doel is het toetsen van de leestechniek. Bij het niveaulezen komt meer kijken dan dat. Elke toets, dus ook de AVI-toets, heeft een bepaalde marge van betrouwbaarheid en voorspellend vermogen. Dat betekent dat elke toets een bepaald percentage ‘missers’ heeft. Ook de organisatie van het niveaulezen kan een oorzaak zijn voor het feit dat leerlingen soms meer moeite hebben met de boekjes dan men op grond van het toetsresultaat kan verwachten. Sommige organisatievormen werken in de hand dat leerlingen te weinig didactische ondersteuning krijgen of om andere redenen niet goed meedoen of niet goed gemotiveerd zijn. Ook in geval van leerproblemen en/of emotionele problemen kan een leerling moeite hebben zelfstandig te lezen, terwijl het goed gaat wanneer er iemand ‘naast zit’. Bij een groepsgewijze benadering, ook in het leesniveaugroepje, wordt de leerling blijkbaar onvoldoende ‘bereikt’ of ‘meegetrokken’ door gebrek aan motivatie, faalangst et cetera.

Naast bovengenoemde factoren moet u ook bedenken dat de toets een momentopname is. Hanteer de toetsuitslag dan ook niet mechanisch, maar betrek de voorgeschiedenis van het kind en de omstandigheden in de klas daarbij. Realiseert u zich dat de toetsuitslag onbetrouwbaar kan zijn; wees bedacht op ‘uitschieters’ naar boven en naar beneden. Eventueel is een hertoets noodzakelijk.